Home

Welkom op mijn pagina!

Laatst nam ik deel aan de verhalenwedstrijd van Letterrijn. Ik kwam op de longlist te staan, maar helaas niet op de shortlist. Wie toch interesse heeft in het verhaal, kan het hier onder lezen.

Veel leesplezier!

Je vreselijkste nachtmerrie.  

Het irritante geluid van de wekker drong mijn oren in. Ik graaide mijn kussen van onder mijn hoofd en drukte het tegen mijn oor. Met mijn vrije hand greep ik in het ijle naar de wekker. Na enkele pogingen raakte ik mijn doel. De stilte die volgde, hield niet lang aan. Ditmaal voelde en hoorde ik luid gebonk in mijn hoofd. Had ik een kater? In een poging verder te kunnen slapen, drukte ik een tweede kussen tegen mijn hoofd. Het bonken hield aan. Met een diepe zucht keerde ik mij op mijn rug. De kussens zwierde ik geïrriteerd naast mijn lichaam. Langzaam opende ik mijn ogen en ondertussen tastte ik de linkerkant van het bed af. Leeg. Verwonderd keek ik naast mij. Niemand. Plots zag ik het: rode vlekken op het overtrek. Met een ruk zat ik rechtop. Bloed? Mijn ogen gleden over de lakens tot mijn blik op de witte kussens bleef hangen. Ze zaten onder de bloedvlekken. Ik greep ernaar. Zodra ik mijn hand zag, leek het alsof de tijd stilstond. Alsof alles in de kamer wazig werd. Alles behalve mijn hand. Mijn met bloed bedekte hand. Op dat moment begon het in mijn hoofd nog harder te bonken. Ik dwong mezelf om helder te worden, wat helemaal niet lukte. Nog steeds zag ik alleen mijn hand. De rest van de kamer was naar de achtergrond verdrongen. Totaal verbijsterd bestudeerde ik nu ook mijn handpalm. Verdwaasd staarde ik naar mijn vingers, die ik steeds weer open en dicht plooide. Onder mijn nagels zat donkerrood gedroogd bloed dat ik met mijn duim probeerde te verwijderen. Enkele gedroogde schilfers vielen op het laken. Op dat moment keek ik op. Het bloed zat overal: op de lakens, de vloer, de muur en de deur. Met mijn handen voelde ik aan mijn gezicht. Had hij mij zo hard geslagen dat ik bewusteloos was geraakt? Geschrokken van die gedachte, tilde ik mijn T-shirt op. Daarna voelde ik aan mijn benen en armen. Buiten de blauwe plekken van eerdere confrontaties was er niets nieuws te ontdekken. Nogmaals keek ik de kamer rond. Hij was nergens te zien. Even twijfelde ik. Toch sloeg ik de lakens van mij af, zwierde mijn benen uit het bed en stond recht. Onmiddellijk werd ik draaierig. Het gebonk in mijn hoofd werd op slag erger. Onderweg naar de badkamer steunde ik tegen de kasten die besmeurd waren met bloed. Wanhopig probeerde ik mij te herinneren wat er de avond voordien gebeurd was. Tevergeefs. Eenmaal in de badkamer plofte ik neer op de vloer naast het bad. Na enkele pogingen kon ik de kraan opendraaien. Ik deed de stop erin, wachtte tot het voldoende warm was en klom er in. Het was een gewoonte geworden om mezelf te wassen na een confrontatie met hem. Alleen voelde het dit keer anders aan. Pas toen ik in het bad zat besefte ik dat niet enkel mijn handen onder het bloed zaten, maar mijn gehele lichaam. Het water kleurde onmiddellijk donkerrood. Verwoed schrobde ik mijn vel tot het pijn deed. Nadat ik het laatste stukje gedroogd bloed afgeschrobd had, wilde ik het uitschreeuwen. Niet van de pijn, maar van de wanhoop. Wat moest ik nu toch doen? Wat was er gebeurd? En van wie was dat bloed? Want nu ik zuiver was, was het helemaal duidelijk geworden dat ik niet gewond was. Haastig droogde ik mij af, trok kleren aan en strompelde terug naar de slaapkamer. Met wazige ogen keek ik naar het bloed. Een heldere geest had ik nog steeds niet. De herinnering aan gisteren zat ver weg. Ik wist zelfs niet eens of hij thuis was geweest. Met die gedachte waggelde ik de trap af. Bij de voordeur deinsde ik terug. Ook hier zat bloed. Dit kon toch niet? Ik trok de deur naast de trap open, graaide een emmer en poetsproduct uit de muurkast en liep vastbesloten naar de keuken. Ongeduldig liet ik de emmer vol lopen onder de kraan tot ik plots iets op de keukentafel zag. Ik knipperde een paar keer met mijn ogen. Dit kon niet zijn wat ik dacht dat het was. Of toch? Langzaam bewoog ik dichterbij. Eenmaal bij de tafel bleef ik staan. Voorzichtig boog ik voorover. Een gevoel van misselijkheid overviel mij. Met de hand voor de mond keerde ik me om en holde naar de wasbak. Kokhalzend hing ik boven de emmer. Ik kreeg het warm en koud tegelijk. Met trillende handen draaide ik de kraan dicht. Vol afschuw keek ik opnieuw naar de tafel. Ik had het goed gezien, het was een stuk van een vinger. Wat moest ik hier nu mee? Van wie was die vinger? Ik raapte mijn moed bij elkaar en schuifelde dichterbij. De vinger lag met de nagel omhoog op de houten tafel. Ik hield mijn hand boven het ding. Zover ik kon bedenken, was het een stuk van een pink. Met rode nagellak en dus beslist niet van een man. Al zeker niet van mijn man, want die mannelijke stomp zou ik wel herkend hebben. Ik twijfelde even, maar trok toen snel de lade met plastic zakjes open. Zoals ik dat vroeger voor de hondendrollen deed, keerde ik een zakje binnenstebuiten en kieperde de pink erin. Even trappelde ik ter plekke rond. Toen haastte ik me naar de berging, opende de vriezer en stopte het zakje onder de vleesschotel. Met een smak knalde ik de deur van de vriezer dicht en zakte door mijn benen tot mijn billen de grond raakten. Om mezelf wat te kalmeren, masseerde ik mijn voorhoofd. Even later keek ik op. De kelderdeur. Hij stond op een kiertje en het licht van de kelder brandde nog. Geschrokken keek ik rond. Was er iemand beneden? Als een gek holde ik de berging uit en spurtte de trappen op. In mijn slaapkamer sloot ik de deur achter mij en duwde de lage kast ervoor. Mijn mobiel! Die lag ‘s nachts altijd op het nachtkastje. Ik liet mij op de knieën vallen vlak voor het kastje, maar de telefoon lag er niet. In volle paniek zocht ik overal: onder het kastje, onder het bed, onder de lakens. Uiteindelijk ging ik zo door het lint dat ik alles in de kamer ondersteboven gooide. De kast die voor mijn deur stond, smeet ik met volle kracht tegen de muur. Hevig puffend zwierde ik de deur open. Daar bleef ik staan. In mijn hoofd hield het gebonk aan en dat maakte mij krankzinnig. Wat was het dat mij zo paranoïde maakte over een kelderdeur? Hij was misschien gewoon beneden. En die vinger was misschien niet eens echt. Misschien wilde hij gewoon een misselijkmakende grap met mij uithalen. Het zou me niet verwonderen. Hij, met zijn ziek gevoel voor humor. Op mijn tenen sloop ik de trap af. Nu viel het op dat hier beneden geen bloedspoor meer op de muren te vinden was, maar wel op de grond. Een lange lijn bloed wees als een dikke pijl naar de kelderdeur. Ik zag hier en daar voetsporen die door de lijn heen liepen. Het waren de mijne. Ik volgde het spoor. Onderweg graaide ik de paraplu van de kapstok en hield hem ter verdediging voor mij. Vanuit de hal liep ik naar de keuken en zo de berging in om uiteindelijk vlak voor de kelderdeur met bonzend hart te blijven staan. Ik moest mezelf overtuigen om de deur te openen. Met de punt van de paraplu duwde ik tegen de klink. Zoals altijd kraakten de scharnieren bij het openen. Het bloedspoor werd breder nu. Elke traptrede was bedekt met een uitgesmeerde veeg bloed. Hier en daar kon ik spetters tegen de muur zien. Mijn hart zat nu bijna in mijn keel en het gebonk in mijn hoofd was enkel luider geworden. Stap voor stap, trede voor trede daalde ik af. Eenmaal beneden volgde ik het spoor dat nu nog breder was geworden. Een rilling ging over mijn rug. Ik haatte de kelder. Ik kwam er bijna nooit. Nu ik de volgende ruimte inging zag ik zijn materialen staan. Zijn gereedschap bij de deur was netjes geordend, alleen zag zijn werkbank er vreemd uit. Ik tastte de muur naast me af en vond de lichtknop. Ik schrok toen mijn ogen gewend waren aan het licht. De hele werkbank zag rood van het bloed, net zoals de vloer. Van pure afschuw liep ik achterwaarts de ruimte uit. Met moeite kreeg ik mijn ademhaling weer onder controle. Wat was dit? Dit kon niet mijn bloed zijn. Opnieuw bekeek ik mijn lichaam van kop tot teen. Ook bekeek ik de aders van mijn armen. Niets. Ik twijfelde even en stapte toen terug de kamer in. Onder de werkbank zag ik nu ook gereedschap. Ik hurkte neer. Een zaag, een schroevendraaier, een nijptang en kabelbinders. Allen besmeurd met bloed. Een pijnscheut in mijn hoofd dwong me op mijn knieën. Kreunend steunde ik met een hand op de betonnen vloer. Met de andere hand greep ik naar mijn voorhoofd. Ondertussen had ik mijn ogen gesloten. Nadat het leek alsof er een tweede keer een pijl doorheen mijn hoofd ging, zag ik in een flits een jonge vrouw en mezelf met een bebloede schroevendraaier. Geschrokken opende ik mijn ogen en viel achterover. Wat was dat? Wie was dat? Moeizaam trok ik mij recht aan de werktafel. Mijn lichaam voelde alsof het bergen had beklommen. Ik had overal spierpijn en nu kwam daar hyperventilatie bij. Met mijn ellebogen steunde ik op de werktafel en masseerde mijn voorhoofd. De pijn werd enkel erger. Er drongen zich beelden op: mijn vent met diezelfde jonge vrouw. Een plotse opstoot van woede borrelde naar boven. Mijn luide gekrijs vulde de kamer. Ik moest hier weg. Dit voelde niet goed. Opnieuw wilde ik de trap op rennen, al had ik daar geen energie meer voor. Dus in plaats van rennen, werd het strompelen. En terwijl ik de trap naar boven klom, besefte ik dat ik die jonge vrouw kende. Zeer goed zelfs. Zij was degene die ik eerder had willen telefoneren toen ik mijn mobiel niet vond. Bovenaan trap zakte ik door mijn benen. Zij was mijn beste vriendin. Uitgeput barstte ik in huilen uit. Dit kon niet. Wat ik had gezien kon niet. Hij en zij. Zij en ik. Ik met een schroevendraaier boven haar. Dat bloed. Neen, het was niet het hare. Misschien wel het zijne. Ik kon mij ergens nog wel voorstellen dat ik hem eindelijk had laten voelen dat ik het niet meer duldde. Maar zij? Neen.  

Mijn benen trilden toen ik weer rechtstond. Ik moest haar telefoneren. Waar had ik toch mijn mobiel ergens gelegd? Eerst zocht ik in de keuken, daarna in de woonkamer en nadien nogmaals in de slaapkamer. Ik vond het ding nergens. Nu stond ik in de hal, keerde me om en zag mijn jas in een hoekje op de grond liggen. Vreemd, dat was me nog niet opgevallen. Ik hing hem op zijn vaste plek. De zak begon te trillen. Onmiddellijk haalde ik mijn mobiel eruit. Met mijn duim ontgrendelde ik het scherm en opende mijn berichten: ‘Leen! Antwoord nu! Ik heb je al zeker honderd keer gebeld! Waarom reageer je niet op mijn berichten! Als ik binnen het uur niet van je gehoord heb, bel ik naar de politie!’ Het was van haar. Ik slaakte een zucht van opluchting. Mijn hersenen hadden me voor de gek gehouden. Zij had er niets mee te maken. Niemand had haar iets aangedaan. Ik had zeker dertig gemiste oproepen. Allemaal van haar. Bij de berichten zag ik dat ze sinds gisterenavond was blijven sturen. Eerst hadden ze nog een behoorlijk rustige toon. Bezorgd, maar gemoedelijk. Hoe later op de avond, hoe meer de paniek door sijpelde. Ik las ze snel door. Toen ik halverwege was, werd ik gebeld. Zij was het.  

‘Leen!’ haar stem sloeg over. ‘Waar ben je? Waarom heb je niets laten horen? Is alles goed met je? Ik heb je verdomme de hele tijd proberen te bereiken! Ik was doodongerust!’  

Stilte aan de andere kant van de lijn.  

‘Ik, ik,’ begon ik stotterend, ‘ik was mijn mobiel kwijt. En ik, ik…’ 

‘Waar ben je?’ vroeg ze, ‘dan kom ik naar je toe.’  

Ik schrok. 

‘Neen, niet komen! Echt, niet komen. Alles is oké.’ 

‘Alles is oké? Dat geloof ik niet! Gisteren was alles helemaal niet oké! Waar ben je? Ik kom eraan!’ 

‘Ik ben thuis,’ antwoordde ik met een bibberstem.  

‘Ben je gebleven?’ Haar stem ging van verbazing de lucht in. Blijkbaar had ze niet verwacht dat ik nog gewoon thuis zou zijn. Wist ze wat er aan de hand was? Ik wilde dat ik het wist.  

‘Ik ben er binnen een half uurtje,’ sprak ze met duidelijke stem.  

Voor ik kon antwoorden, had ze de lijn al verbroken. Nog steeds stond ik op dezelfde plek in de hal. Mijn blote voeten kleefden aan de vloer. Ik besefte hoe smerig mijn huis was. Dit kon ik toch zo niet laten. Als een gek holde ik naar de keuken, gritste de emmer uit de wasbak en nam een dweil en aftrekker. Als eerste pakte ik de hal aan, nadien de keuken en tot slot de berging. Toen ik daarmee rond was, besefte ik dat ik de trap in de hal best ook nog even kon vegen. Het zweet brak me uit toen ik met de laatste trede klaar was. Ik haastte me naar buiten, kieperde de emmer leeg tussen de bloemen en holde weer naar binnen. Op dat moment ging de bel. Ter controle bekeek ik snel mijn handen en kleren. Voor zover ik kon zien, zat er nergens bloed. Bij de voordeur hield ik halt. In een poging er toch een beetje fatsoenlijk uit te zien, ging ik met mijn handen door mijn haar en trok ik mijn kleren goed. Met grote twijfel en onrust in mijn lichaam, deed ik de deur van het slot. Als een gek stormde Gwen binnen, trok mij naar haar toe en hield me in haar armen. Huilde ze nu? Wist ze echt wat er gebeurd was?  

‘Leen! Je bent in orde!’ Ik voelde haar warme adem in mijn hals toen ze snikkend de woorden uitspuugde. Ze duwde me van haar af en bekeek mij van kop tot teen. Als een standbeeld stond ik voor haar. Wat moest ik nu tegen haar zeggen? Dat ik vanmorgen met barstende hoofdpijn was wakker geworden in een huis vol met bloed? Ik huiverde van de gedachte dat Gwen de slaapkamer zou te zien krijgen, dus loodste ik haar naar de keuken. Ondertussen bekeek ik de tegels van de hal, in de hoop geen rode vlekken meer te zien. In de keuken bood ik haar een koffie aan.  

‘Hoe kan jij nu aan koffie denken? Ik heb sinds gisteren niet meer gedronken of gegeten. Ik was echt zo ongerust!’ Ze bekeek me op zo’n doordringende manier, alsof ze zo kon aflezen wat er was gebeurd. ‘Hoe kan jij zo rustig zijn?’  

‘Ik weet niet waar je het over hebt,’ wist ik uit te brengen.  

Alsof ik haar een zware rugzak op haar rug had gehangen, zakte ze neer op een stoel. Ze keek me verbaasd aan met haar grote blauwe ogen. En toen zag ik het: de blauw gekleurde vlek in haar gezicht. Langzaam zakte ik neer op een stoel. Ik strekte mijn arm, tot ik met mijn vingers de gevoelige plek kon aanraken.  

‘Ik weet het echt niet,’ fluisterde ik, ‘hoe kom je hieraan?’  

‘Hij deed het,’ sprak ze zacht. Ik schrok. Hij deed dit bij haar? Hij deed dit alleen bij mij.  

‘Wanneer? Gisteren?’ 

Ze knikte.  

‘Rotvent!’ Met mijn vuist sloeg ik op de tafel. Gwen schrok en legde haar hand op de mijne.  

‘Dat is hij, zeker en vast. Maar waar is hij nu dan? Is hij vertrokken?’  

Mijn hand begon te trillen en Gwen voelde het. Ik kon haar niet vertellen wat ik had gezien. Dat ik niet meer wist wat er gisteren gebeurd was, dat was een ding. Maar dat ik niet wist van wie dat bloed was en hoe het er gekomen was, dat was iets geheel anders. En dan nog die vinger. Hoe ging ik dat uitleggen?  

Nu kneep ze harder in mijn hand, alsof ze wilde zeggen dat ze er voor me was. Maar als ik haar vertelde over het bloed, dan zou ze hard wegrennen. Dat zou ik toch doen. Rennen en nooit meer terugkomen naar die zottin die nog niet eens wist waar haar vent was en wiens bloed haar huis sierde. Ik legde mijn andere hand op de hare. Ze bewoog haar vingers en ik schrok van wat ik zag: rode nagellak.  

Op dat moment besefte ik dat ze de andere hand nog steeds onder tafel hield.  

‘Is er iets met je hand?’  

Gwen verstijfde. Ik schoof mijn stoel dichterbij en ze legde haar hand op tafel. Het verband zat strak. Ze had zich duidelijk zelf verzorgd. Op de plek waar de pink hoorde te zitten, zat een bloedvlek.  

‘Ik ben dankzij jou kunnen wegrennen, Leen,’ snikte ze, ‘ik begrijp nog steeds niet wat er gebeurde. We hadden het allemaal zo gezellig. Hij lachte en we maakten grappen.’ Ze trok haar neus op en haalde diep adem voor ze verder ging. ‘Jij was net even naar het toilet. Toen keerde hij terug uit de keuken met een kniptang.’ Ze wreef de tranen uit haar ogen. ‘Hij hield me onder, met zijn knie op mijn gezicht. En toen…’  

‘En toen kwam ik op het gekrijs af,’ fluisterde ik. ‘Hoe kon ik dat vergeten?’  

‘Jij trok hem van me af. Hij werd woedend!’ Met betraande ogen keek ze mij aan. ‘Wat is er daarna gebeurd? Want ik heb nog nooit zo hard gerend in mijn leven. Ik was zo bang!’ 

‘Ik weet het niet, Gwen. Ik herinner me verder niets meer. Ik weet alleen dat ik vanmorgen wakker werd in een bed vol bloed. In een huis vol bloed.’ 

Gwen keek rond. ‘Ik zie geen bloed?’  

‘Ik heb alles gepoetst,’ fluisterde ik, ‘misschien was dat niet zo’n goed idee.’  

‘Je hebt het bloed weggegaan? Waarom? Dat is bewijs!’  

‘Bewijs van wat? Het is niet mijn bloed. Ik heb mezelf gewassen. Ik ben niet gewond.’ 

‘Je hebt jezelf nog gewassen ook?’ Haar stem sloeg over. Ze veerde recht en de stoel klapte tegen de vloer. ‘Waarom heb je dat gedaan?’  

‘Het is een gewoonte,’ antwoordde ik haar met schaamte.  

‘Maar als het bloed niet van jou is en duidelijk ook niet van mij. Dan is het van… hem?’  

‘Ik denk het.’  

Gwen hurkte voor me neer.  

‘En waar is hij dan?’  

‘Ik heb geen idee,’ loog ik. Want ik had wel een groot vermoeden dat ik hem iets aangedaan had.  

‘We moeten hem vinden.’  

‘Waarom?’ Ik vroeg me echt af waarom. Want hij was blijkbaar weg. Of gewond. Of dood. Het interesseerde me helemaal niets. ‘Ik heb trouwens je pink gevonden vanmorgen.’ Met open mond staarde Gwen me aan. ‘Ik heb hem in de diepvries gestoken.’  

‘Ik zou dank je wel zeggen. Alleen denk ik dat ook dat niet zo’n goed idee was.’  

Ze pauzeerde even en staarde mij aan. Even dacht ik dat ze zich ging omdraaien en vertrekken. Dat deed ze niet.  

‘Nogmaals. Waar is hij? Weet jij het?’  

‘Ik moet je iets laten zien.’ Ik nam haar bij de hand, keek nogmaals naar de roodgelakte nagels en leidde haar door de berging naar de kelderdeur. Ze trok zich los toen ze de trap van de kelder zag. ‘Hier heb je duidelijk niet gepoetst.’ Ik wist niet wat te antwoorden, dus stapte ik verder. Het bloed deerde mij niet meer. Onderaan trap keek ik achterom en zag hoe Gwen met zeer veel moeite het bloedspoor probeerde te ontwijken. Eenmaal beneden, volgde ze mij tot aan de werkkamer.  

‘Ik zou zeggen: schrik niet. Maar ik kan me voorstellen dat je niet blij zal zijn met wat je te zien krijgt.’ Ik knipte het licht aan. Gwen bewoog niet. Stokstijf stond ze naast me. Ik probeerde van haar gezicht af te leiden welke emotie door haar heen ging. Tot ik zag dat ze lijkbleek werd. Ik greep haar onder de armen en liet haar zakken tot ze op de vloer zat. ‘Zoveel bloed.’ Hakkelde ze. ‘Van hem?’ 

‘Niet van mij, in ieder geval,’ sprak ik, ‘ik heb mezelf nog eens gecheckt toen ik dit ontdekte.’ 

‘Dus, is het van hem,’ constateerde ze met een bibberende stem, ‘en nu?’ 

‘Geen idee.’  

Ze keek me verontwaardigd aan.  

‘Hoezo geen idee?’  

‘Ik heb geen idee waar hij is,’ mompelde ik.  

Plots werden haar wangen vuurrood. ‘Hoe kan dat? Er was niemand anders hier! Alleen jij en hij!’ Ze aarzelde even. ‘Of heb je iemand opgetrommeld?’ 

‘Wat? Hoezo, iemand opgetrommeld? Wie dan wel?’ 

‘Hoe kan het dan dat jij geen idee hebt waar hij is?’  

‘Ik kan het me niet herinneren. Ik werd vanmorgen wakker in een bed vol bloed. Dat is het. Ik heb geen idee wat er gebeurd is. Het enige wat ik me herinner, is dat jij er was.’  

Gwen slaakte een diepe zucht en ging met haar handen door het haar.  

‘Oké. Dus jij herinnert je wel nog dat je hem van me af hebt getrokken nadat hij mijn pink…’ Ze hield haar hand voor zich en bekeek het verband. ‘Ik ben toen als de bliksem naar buiten gerend.’  

‘Dat herinner ik me zelfs niet.’  

Ongelovig keek Gwen mij aan. ‘Dat kan toch niet.’ 

‘Blijkbaar wel.’ 

‘Kom, volg mij.’ Vastbesloten greep ze mij bij de hand. 

Verbaasd volgde ik Gwen de trap op terug naar boven. In de woonkamer nam ze mij mee naar de plek waar hij haar tegen de grond had gewerkt.  

‘Jij kwam van de trap af rennen. Je zag mij, duwde hem van mij af en trok mij recht.’ Ze keek mij recht in de ogen. Misschien dacht ze daaruit af te kunnen lezen wat er gebeurd was. ‘En?’  

Ik haalde mijn schouders op. ‘En niets.’ 

‘Oh, wacht!’ Gwen liep naar de deur en opende ze. Het was zover, ze ging er vandoor. ‘Ik stond hier. Ik keek achterom. Ik zag jullie. Hij lag nog op de grond en jij trapte hem als een wilde tegen zijn lijf. Zo uitzinnig.’ 

Plots zag ik het ook. Als een film voor mijn ogen. Gwen had het goed gezien. Ik had hem getrapt, meer dan eens. Alleen greep hij mijn been vast en trok me onderuit. Door mijn woede was ik vergeten hoe krachtig hij was. Zodra hij weer de overhand had, trok hij mij aan mijn haren de trappen op. Hij zwierde mij op het bed. Ik wist wat hij van plan was. Dagen voordien had ik mezelf al beloofd dat hij daar niet meer mee weg zou komen. Dus toen hij zich klaarmaakte, greep ik in mijn nachtkastje naar de schroevendraaier die ik daar had verstopt. Zodra hij zich boven op me wierp, plantte ik het scherpe voorwerp in zijn hals. 

‘Je hebt gelijk Gwen. Ik trapte hem. Hij was sterker. Dat dacht hij toch. Ik heb hem boven laten voelen dat dat niet zo was.’ 

Ik voelde de armen van Gwen. ‘Laat me, Gwen. Ik verdien geen knuffel. Ik heb hem vermoord.’ 

Ze suste me. Ik huilde. Al wist ik niet waarom. Ik hield al lang niet meer van hem.  

‘Waar is hij? Weet je het?’  

Stilzwijgend knikte ik.  

‘Kom. Dan gaan we naar hem.’ 

Voor de zoveelste keer daalde ik de trap af naar de kelder. Mijn hoofdpijn werd erger naarmate ik dichter bij de kleine kamer achteraan in de kelder kwam. Ik voelde hoe Gwen aarzelde. Ze kneep mijn hand bijna fijn.  

‘Dit ga je niet willen zien.’ Met mijn vrije hand greep ik de klink beet en duwde de deur open. Gwen trok zich los en bleef staan terwijl ik het licht aanknipte en verder de ruimte in liep. Achter mij hoorde ik een gedempte gil. Voor mij lagen enkele vuilniszakken naast elkaar tegen de muur. Ik knielde neer bij de vuilniszak die het minst vol zat. Wilde ik dit wel doen? Misschien kon ik beter de boel de boel laten en vertrekken uit dit huis. Weg van deze miserie. Weg van alle ellende die ik ooit met hem gehad heb.  

‘Zeg me niet dat je hem daarin gestoken hebt!’ Gwen stond nu achter mij en haar luide stem deed me schrikken.  

‘Ik denk het wel,’ sprak ik met schorre stem. 

Gwen greep mij bij de kraag en trok me recht. ‘Dit wil ik niet zien, Leen.’ Ze keerde zich om en liep naar de deur. ‘Je gaat me echt niet vertellen dat jij hem daarin gestoken hebt! Dan heb je hem…’ Ze schokte. ‘Dan heb jij hem in stukken gedaan!’ Ze holde de kleine kamer uit en liet mij alleen achter. Vastbesloten keerde ik mij om. Ik moest weten wat er in die zakken zat. Mijn gevoel gaf aan dat er hier iets was wat ik moest zien. Met trillende handen probeerde ik de knoop uit de zak te halen. Uiteindelijk kreeg ik het voor elkaar. Ik raapte mijn moed bij elkaar en opende de zak. Geen lichaam, geen bloed. Enkel afval. Ik opende de volgende. Niets. Zak na zak zocht ik verder. Ik vond niets. Waarom herinnerde ik mij dan deze ruimte? Toen zag ik plots het luik in de muur. Even staarde ik naar het metalen handvat. Net op het moment dat Ik het wilde opentrekken, hoorde ik Gwen.  

‘Laat het dicht, Leen.’ Ik keek haar aan. Haar gezicht stond strak, haar handen waren gebald.  

‘Dat kan ik toch niet, Gwen. Ik moet toch weten wat ik met hem gedaan heb.’  

‘Wie gaat hem missen?’ sprak ze zacht.  

Met mijn hand nog steeds op het handvat staarde ik haar aan. Het gebonk in mijn hoofd werd luider en ik greep naar mijn voorhoofd.  

‘Je hoofdpijn wordt vast weer beter. En wij kunnen zonder hem.’  

Omdat ik haar stem gedempt hoorde, twijfelde ik aan haar woorden. Al had ik echt wij gehoord. Waarom zei ze wij? Opnieuw ging er een steek door mijn hoofd. Ik zocht mijn balans tegen de muur en Gwen kwam dichterbij. Ze ondersteunde me en leidde me weg van het luik. ‘Hij zal niet gemist worden en jij zal je er niets meer van herinneren.’ Verward keek ik haar aan. Ze hielp me de trappen naar omhoog en zei: ‘Het lijkt wat langer te duren dan ik voorzien had, maar het komt uiteindelijk goed.’  

Eenmaal boven hielp ze mij in de zetel, waar ik dankbaar ging liggen. De hoofdpijn werd mij te veel. ‘Slaap maar, Leen. Straks weet je niets meer. En dat is prima. Net zoals ik het gepland had. Hij zal mij geen kwaad meer kunnen doen. Net zoals jij dat ook niet meer zal kunnen, want jij was net zo erg als hij. We zullen elkaar nooit meer zien en daar word ik alleen maar gelukkig van.’ Ze stapte van me weg en alles werd zwart voor de ogen.  

Leuk nieuws te melden!

Vrijdag 16 september stelt de bibliotheek van Diepenbeek de Diepenbeekse schrijvers voor.

Wil je graag het schrijverstalent in Diepenbeek ontdekken?

Wil je mij graag eens ontmoeten?

Schrijf je dan zeker in:

https://diepenbeek.kwandoo.com/activity/subscribe/80331

Voorstelling Diepenbeekse schrijvers:

Om de vijf jaar zetten we schrijvers in de kijker die in Diepenbeek wonen, over Diepenbeek schrijven of onze mooie gemeente als setting van hun verhaal gebruiken. Dit jaar komen we met een goedgevulde editie met zowel literaire kleppers als historische verhalen, biografieën, jeugdliteratuur en fictieve verhalen van meer dan 50 schrijvers. Zo ontdek je meteen je nieuwe favoriete boeken van lokaal talent.

Inkom is gratis.

Vrijdagavond 28 januari een leuke Q&A gehad met Melanie van Bookstamel en voor de groep van ‘Boeken van Nederlandse en Vlaamse auteurs’.

Het is toch altijd zo leuk om jezelf terug te bekijken 😆 dus deel ik de link even via facebook met jullie en kunnen jullie eventueel terugkijken.

Via facebook: https://www.facebook.com/auteur.Nanesa

Bedankt, Melanie, voor de heel gezellige babbel 🥰

Heb je na het kijken meer interesse in het lezen van ‘Wraak’?

Dan kan je het boek natuurlijk bij mij, bij de uitgeverij of online bestellen 😊

_____________________________________________________________

Wil je graag van alles op de hoogte blijven, dan kan dat via:

https://www.facebook.com/auteur.Nanesa

https://www.instagram.com/nanesa6/

https://nanesa.org/

info@nanesa.org

Recente berichten

Prachtige cover van mijn boek.

Krijg nieuwe content direct in je mailbox.